Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hè, Lies voelde 't bloed naar 'r wangen stijgen; verlegen stopte ze 'r hoofd weg in vaders arm.

— „Vleemster!" fluisterde de vader.

— „Ben ik niet te zwaar?" vroeg ze, om toch maar iets te zeggen.

— „Welnee!"

De duisternis was als een koesterende, fantastische weelde rondom die bei; het roode vuur intiem-gezellig, en de zachte zuivere muziek — van verre —, deed haar toch goed in haar droomstemming.

Als als Nolding nu eens van haar — Lies —

hield! Je hadt dat wel meèr — dat een meisje van

vijftien — met 'n jongen man hep en er later mee

trouwde — ook.

En Nolding was zoo mooi — zoo groot, zoo breed, zoo zwart, met zoo'n mooie, donkere snor; zoo echt mannelijk — 'n snor. En — hij kon hef ook zijn, als hij wilde.

Vleierig en aanhalig; zoö — dat ze het wel eens eng vond, hem af bitste.

Dan — als ze haar beklag — ook wel uit wreede vreugde tegenover ma — deed, dan antwoordde die luchtigjes:

— „Gut kindje! Meneer Nolding beschouwt je bijna als zijn dochtertje!"

Meneer meneèr!

Ja! dat was ook zoo'n ergernis voor haar, Lies — dat ze hem nooit bij den voornaam mocht noemen, zooals papa, en moeder.

Zooveel ouder was hij toch niet en ze deden

Sluiten