Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in 'r eigen kamertje hangen; vermeed in 'r prikkelbare stemming de haar hinderlijke tegenwoordigheid van 'r moeder.

Bang voor zichzelf, voor 'r opbruisende drift, die pratte in haar.

Wat had ze al niet meegemaakt

Nu weer dat met moeder.

En twee jaar geleden met tante Lize

Om dat kindje van 'r, dat ziekelijke schaap.

Haar gedachten doolden in het verleden.

Nog was het haar pijnigend, dit herdenken.

Haar gelaatsexpressie versomberde; haar strakke oogen staarden naar buiten, zónder te zien.

Weer woonde ze de jonge vrouw bij — in haar zorgende zachtheid voor 't zieke wurm — dat schreeuwde, jengelde, altijd door — eén en al duldende teederheid, die onsterflijk scheen.

Weer zag ze 'r aankomen, voetje voor voetje, in langzaam, loomengang, — den eersten keer, na den dood van 't dochtertje — het gelaat versteend, onbewogen, in strakke rust.

Of ze alles verloren had

En was zij er dan niet, Lies? Scheen dan alles begraven voor tante? Al was het haar niet meer zoo'n onduldbare pijniging, als in den beginne, toch deed het weer opnieuw doorleven 'r schrijnend aan, zag ze weer in de starende, doffe oogen van de beroofde moeder; die het nichtje niet eens opmerkte.

Zoo tante Lize 'r daarna vriendelijk tegemoet gekomen

Sluiten