Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarop ze geen bepaalde vriendinnen had —; haar verontreinigd tehuis — haar verborgen verliefdheid, die ze toch niet zeker wist, öf beantwoord werd.

— „Wie was dat jonge meisje, waarmee ik je laatst zag. Jan? Je zuster?'* onderzocht Lies, terwijl ze hem 'n eindje wegbracht

— „Welnee 1 'n Achternichtje van me, ze woont pas bij ons in huis, heeft geen eigen moeder meer; haar vader is voor de tweede maal getrouwd."

— „O!"

Dit het ze onverschillig langs zich glijden. Maar het andere — wat nü 'r vraag zou zijn — dat moest ze weten.

— „Ze is wel knap?" ~ vroeg ze, hem strak aankijkende.

— Hm! Het kan wel zijn; maar ze is heel oppervlakkig ook. Een beetje wuft — ik hou niet van dat soort.

En terwijl Jan, dit kalm, hoog, op ietwat minachtenden toon aanmerkte, vergeleek hij:

Wat heeft zij, Lies, een innig-fijn, rein gelaat.

— „Ik dacht dat jongens er wel heel aardig zouden vinden?" kwam Lies schuchter. „Jij ook, Jan!"

— „Geen sprake van," loochende hij hoog.

Wel, was Tine hem juist zoo'n aardige, opgewekte kameraad; maar wat scheen dat in vergelijk met het gevoel, hetwelk hij voor Lies had!

't Meisje ademde diep, als bevrijd.

Toch bleef èr — afschuwelijk hinderend — het samen-

Sluiten