Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „Nu ga ik terug 1" beslistte Lies kort, onwillig opeens.

— „Mag ik je weer terug brengen T' Ze nam hem koel op.

—> „Neen."

— „Wat ben je ineens koud tegen me!" zei hij verdrietig.

— „Zoo! Vind je? Dag!"

— „Niet eens 'n hand krijg ik van je!"

Vraag die dan maar aan je beelderig-mooie nichtje! dacht ze giftig van jaloezie.

— „Och waarom!" weigerde ze snibbig. „Adieu?"

— „Adieu dan," kwam hij, nu ook kort, diep gekrenkt. Want waarom deed ze nu zoó onaardig opeens. Was ze dan niet eens vereerd met zijn gedicht aan haar?

Langzaam, in beklemmende gedachten verzonken, ging ze terug. Dat schepsel, dat op moeder leek!

P®« Ja' Ze was nog al mooi! Jakkes nog toe.

Niks an juist; met die enge kleur en dat zwarte haar.

Opvallend, dat was nooit mooi en toch scheen Jan

het wèl te vinden.

En dat schaap woonde nog wel altijd bij hem. Als ze nog maar z'n zuster was geweest; een achternichtje, dat is bijna geen familie.

Een wrevelige afkeer voor dat huisgenootje ontkiemde in haar. Als dat kind nou ook zoo deed als moeder, zij zou wel hem durven streelen over het zachte haar. O! ja, vast

Lies klemde de tanden op elkaar.

Daar zag ze naar uit, het schepsel.

Sluiten