Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „Nee!" Het meisje dacht na. „Ja! ja toch: hij heeft koorts."

mm „Hij is zoo alleen, je vader, en dan ziek!"

„Onze vertrouwde meid is toch bij hem!" mengde de moeder zich in 't gesprek. Begon het oude mensch waarachtig nou al weèr met 'r uithooren; 't was om ongeduldig onder te worden.

mm „Maar hij is toch zoö alleen. Jullie hadt bij hem moeten blijven."

De heesche stem klonk bedwongen-heftig.

Het vond zijn weerklank in de kleindochter.

— „Ja grootma! Ja! We behoorden bij papa," stemde Lies in.

Ondanks haar oprechten wil zich te beheerschen, raakte ze leelijk uit de haar opgelegde, ondankbare rol, begon ze wanhopig te snikken; viel ze op haar knieën bij den leunstoel neer.

— „Huil niet kind. Hij wordt wel beter." Maar Lies kon niet ophouden, van overspanning.

— „Hij wordt wel beter," troostte de doffe stem. Toch schoof de oude vrouw onrustig heen en weer;

in haar moe hoofd warrelden angstige vermoedens. „Je maakt me bang," zei ze heeschig.

— „Lies overdrijft altijd zoo, moeder." Zenuwachtig wreef mevrouw Verschoore met 'r zakdoek over haar rood gezicht. „Sta toch op kind. Je maakt Grootmama zoo van streek; ze zit te rillen van inspanning."

Ze had haar dochter kunnen slaan. Zou ze 'r daar alles weer gaan bederven, zooals dien eenen keer, die haar altijd heugen zou. Moest 't schepsel 'r grootmoeder, nu oök

Sluiten