Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „Waarom, als je heimwee hadt, heb je me niet

geschreven?" vorschte Verschoore. Dat andere heb

je me toch ook wel verteld."

— „Neen," kwam ze kort.

— „Dat had je toch best kunnen doen!" ■— „Je kon me immers missen!"

Geroerd door haar bitteren toon, die heel haar jaloezie vertolkte, klemde hij haar vast aan zijn borst

— „Mijn kind missen jou mijn eigen? Je moest

eens weten, hoe hard het me gevallen is, je af te staan!

Maar heeft men je soms opgezet?" onderzocht

hij aarzelend.

— „Ik, ik laat me niet opzetten." Ze wilde van zijn knie af. „Nee! Hou me niet vast vader! Ik ben heel boos op je, dat je zoó iets zegt, durft veronderstellen.

Je bedoelt zeker, dat mijn moeder en dat heb je

heelemaal mis, Nee laat me los! Ik wil weg!"

— „Neen! Ik laat je toch niet gaan, kind! Ik laót je niet los!'.

— „Blijf dan maar weg, als je m'n moeder komt be-

leedigen. Je mag niks van haar zeggen ik ik

ben dol op haar. Ze is goed ze is hef. ze zet me

niet op!" overdreef Lies nog steeds wurmend, om van z'n schoot af te komen.

Haar moeder. Ze was van haar.

— „Bhjf dan maar bij je schattige vrouwtje. Wij hebben je niet noodig!"

Dat jaloersch zijn voor 'r moeder en voor zichzelf, dat warme, heftige, dat bij zoo hef in 'r had, trok hêm meer tot zijn dochter, als dat 'r boosheid hem afstiet.

Jaloersche hart. 8

Sluiten