Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze knikte, te bewogen om meer te doen dan dat.

Dan keek ze naar het bedrukte gezichtje van 'r dochter, die plots door vernieuwde wroeging aangepakt, 'r hoofd in haar handen verborg.

— „Hartverlamming, nietwaar?" kwam de vader, niets bemerkende.

— „Ja! Hartverlamming!" knikte de moeder bevestigend.

Lies, toch al opgewonden, snikte nu opeens 't uit.

Beiden, de ouders staarden naar hun kind, en schudden langzaam hun hoofd, bedroefd om haar droefheid.

En begrepen dit wel. O! maar al te wèl — voelden dit mee. Want beiden, de ouders, wisten.

Lies had het niet kunnen verkroppen, deze ellende, en had die schor van onderdrukt snikken, als daartoe gedrongen bij de moeder uitgestameld.

Ook den vader, had ze geschreven haar misdaad, zooals zij het noemde.

Maar, ook beiden, haar vader en moeder hadden haar getroost, ieder op de hun eigen wijze, maar beiden met het oprecht verlangen, het hun kind te doen vergeten, opdat ze niet langer zoo leed onder haar berouw.

— ,,'n Oude vrouw; een wel heel oude, afgeleefde vrouw, voor wie de dood een zegen was."

Nu, had de vader, ondoordacht, zich versproken.

— „Laat maar!" wenkte zijn gewezen vrouw, als hij naar Lies toe wilde. „Dat doet haar goed, dat uithuilen."

Dan meden ze elkanders oogen.

— „Het is koud buiten."

— „Ja, koud!"

Sluiten