Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijn vrouw rei altijd: „Als Lies nog 's hier mocht willen wonen, dan geven we haar die kamer, en die makkelijke stoeltjes." Een hef, vroolijk behang en daarop heelmooie gravures.

— Hij wilde nu ook graag rijn vrouw in 'n helder schoon daglicht stellen. „Een paar heel-mooie gravures", repeteerde hij.

Het moést goed gaan, die twee; re waren elkander verwand. Hij rou r'n best wel doen, re tot elkander brengen.

Overstelpt door deze beeldende vriendelijkheid, wreef het meisje zich over 'r voorhoofd.

— „Dan val ik dus tegen? Stel ik teleur, vader? Ik, ach vader, ik kan niet anders. Stuur me dan maar heen. Breng me weg, als ik jullie te veel "

Slikkend van driftige pijn, poogde re verder te spreken, maar uit haar droge keel wilde geen geluid.

— „Te veel. Ieder te veel!" hortte het eindelijk. Had moeder haar niet graag prijsgegeven voor dien

Nolding, als hij maar gekomen was.

En dan — plots beseffend, hoe re haar armoe blootlegde — lei ze spontaan haar hand op den mond; keerde zich snikkend af.

— „Kom 1" smeekte de vader. „Kom, je bent zenuwachtig. „Je weet niet meer, wat je zegt. Ik ral je naar je kamer brengen."

— „Ja, doe dat," fluisterde r'n vrouw.

— „Ach jal Breng me weg! Ik wil weg. Ik ben zoo moe. Ach God, ik ben toch zoo moe. Mevrouw," mompelde ze, de oogen neer.

Sluiten