Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Haar oogen dwongen zijn aandacht: „ik wil nu, dat je naar me kijkt"

In haar overspannen bui ergerde haar zijn kalm doorlezen.

Bij die eerste, dat miserabele mensch zou hij wel anders geweest zijn, daar zou hij wel mee geschertst hebben, of ai, dat kind eens aangehaald hebben.

Hun kind.

Als haar gedachten dit teere punt raakten, klemde ze haar handen ineen, haar oogen werden beneveld, werden wel heel dof. Dan snikte ze stil voor zich heen. Beseffend haar machteloosheid. Het verleden, zijn verleden, voor hem wèg te bannen, dat vermocht zij nooit Zij, Anne, was maar zijn kameraad, jawel!

Je moet maar eerst wuft en liefdeloos zijn om een man te kunnen boeien, en z^n kind hebben gedragen onder het warm, kloppend hart

Verstandig evenwel het ze zelden iets van haar smartelijke ergernis blijken.

Alle uiterlijke, rustverstorende gevoelens sloot ze huiverig in zich op, opdat toch niets haar ontsnappen zou.

— Toch — nü was daar Lize gekomen — dat kind van hem en van haar.

Ze had het in nerveuze spanning gewacht

Zoekend had zij het meisje aangezien

Om te weten, wat zij aan 'r had

Toen begreep ze: er zou zijn een stille, hardnekkige strijd, door ieder op zijn manier bestreden.

Want er was iets, dat zijn kind altijd ver van haar houden zou.

Sluiten