Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijn stem klonk haar minachtend.

— „Toch kan ik er niet bij," hield ze aan.

— „Daar moet je maar bij kunnen; dat moet je dan maar leeren."

Naast haar doodsbleek gezicht, dat plots vermagerd, ingevallen scheen, dook op de mooie, frissche verschijning, glinsterden de warme oogen van Noor.

Die zoó verlaten achterbleef, dacht hij meevoelend.

Had hij het immer langs zich laten glijden, als ze over zijn vrouw 'n boos woord vallen het, nü was het hem te veel, nu ergerde het hem onuitsprekelijk; want had zij niet genoeg geboet? Zijn vrouw?

— „Je hebt zelf den eersten steen geworpen; zelf heb je haar veroordeeld, anders was je niet van haar gescheiden."

— „Och zwijg toch," barstte bij uit.

— „Anders was je niét. van haar gescheiden,"

herhaalde ze langzaam.

Het was waar, dacht hij bitter. Helaas, waar.

— „Hoe deed zij, hoe was jullie wederzien?" dwong ze onhandig, nu maar direct het heèle verloop willend vernemen.

Verschoore vermeed haar oogen.

Hij had niets misdaan, er was niets gebeurd, wat niet behoorde; hij had zijn dochter willen zien, anders niet, maakte hij zich wijs.

Onder haar strakke, bespiedende oogen, werd het bezoek aan Lies hèm een dwaze, onbehoorlijke daad. Zoó rekende zij, Anne, het hem aan — hij voelde het in wrevel.

Toch, ondanks zijn verbittering, wilde hij haar zachter stemmen.

Sluiten