Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vader te zijn, leek haar - behalve papa - de nabijheid van jan. Dat was het goude lichtpunt in de betrekkelijke duisternis. Jan.

Ze had een briefkaart van hem meegebracht in 'r tasch. Zoo gelukkig was ze met die simpele kaart.

Met alleen erop: hoe het met 'r ging, wanneer ze weer terug kwam, en de groeten.

Mijn hartelijke groeten. Je vriend Jan.

Hartèlijk en „je" vriend.

Het deed 'r zoo goed.

Dan dacht ze weer aan haar vader, beneden. Ze zouden het zeker over haar hebben, en niet al te welwillend. Papa was boos. Vast. En de „tweede" kon haar - niet uitstaan. Noul Haar een zorg.

Als ze het hier niet uit kon houden, dan ging ze, nood gedwongen, maar weer weg.

Wèg? Van vader en en Jan ?

Ellendig!

Ook. sympathiseeren deed ze heel niet met haar eioen moeder.

Ol Hemel nee!

Ze ademde verlicht, toen haar vader binnentrad. Dadelijk vroeg ze:

— „Hoe vindt zij me? Afschuwelijk natuurlijk."

— „Je had wel toeschietelijker kunnen zijn, kind."

— „Ze is maar een vreemde; ze is niets van me."

— „Ze is je gastvrouw."

— „En üw vrouw hè? Bah."

Sluiten