Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

<— „Ze is mijn vrouw."

Haar wrevelige toon beroerde hem pijnlijk, want ongetwijfeld had Anne veel goeds.

— „Houdt u nou net zoo veel van haar, als van mij ?" vroeg ze haastig.

— „Kind."

ÉÉ „Och zeg het toch, als 't u belieft."

Verschoore trad naar het venster, schoof het gordijn terzijde, staarde dan zwijgend in den killen, vochtigen avonddamp. Hij geloofde op dit moment heilig, dat hij van niemand ter wereld zoo innig veel hield als van zijn kind, een stuk van zijn ziel.

Maar, was het wel verstandig, dit te zeggen?

Eene lange stilte, waarin het meisje met gevouwen handen stond te wachten; de oogen strak op hem.

Een door jaloezie gepijnigd menschenkind.

— „Vader!" hijgde ze dringend. „Toe vader!" Toen keerde hij zich langzaam om en zei ontroerd,

heel innig:

~ „Je bent mijn kind; mijn kind. Het liefste wat ik heb."

— „Vader l"

— „Lies."

Ze waren in elkanders armen.

In haar oogen was de oude, gelukkige glans, van een mensch, die voelt nóg te bezitten, wat hij eens, in vroeger tijd, bezat.

— „Dan ben ik voor u toch de eer " ze brak af.

Maar bij, haar vattend, knikte vele malen van ja.

— „Kijk," fluisterde ze week, in verteederde stemming. „Kijk! daar heb je moèder."

Sluiten