Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van zonnegoud over de bedwelmde aarde, de sidderende zaligheid van bevende harten.

't Was de wondere weelde; de betooverende pracht.

Twee jonge menschenkinderen zaten naast elkaar in het groen.

Ze hadden geen woorden van noode; hun oogen zeiden alles, èn hun handen èn hun blije gezichten.

„Lize! O! Lize!" trilde zijn stem.

En ze het hem maar stamelen, de oogen half geloten, diep genietend de innige beving van zijn geluid.

Maar de jonge man kón 't niet uithouden zoo. Hij moest er zien, vlak van voren, nam haar kopje in bei zijn handen.

— „Lies — liefste!"

Zacht eerbiedig drukte bij zijn lippen op haar voorhoofd.

Wat 'n ideaal-mooi meisje toch, dacht hij verrukt gadeslaande het fijne, ovaalvormige profiel, de grijze ernstige oogen met de zwarte wimpers, het goudkleurig haar, dat laag aan den hals was saamgewrongen in dikke knot. Welk een edele voorname schoonheid.

— „Schat van mij," fluisterde hij opgetogen.

Ze keken eens rond, langs het groene land, naar den hemel, de silhouetten van in verte gaande arbeiders — dan zochten hun oogen elkaar weer in nóg zaal'ger vreugd, in nog grooter ontroering.

En droomerig als sprak het meisje voor zich heen in herinnering.

*• „Weet je nog Jan, de laatste keer bij tante Lize. Terwijl zij zong, zat je voortdurend maar naar mij te kijken. O! Ik werd er verlegen onder, 't Is al drie jaar

Sluiten