Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

takken. Even een twijgritselen. Dan weer onberoerde rust.

Het leek zulk een schoone oneindigheid, die blanke

stilte. Of er nooit kon zijn een woeligluid tumult; ■

°f — een hart, dat wild snikte in z'n eenzaamheid.

Lize zat voor het geopende raam, kin in hand gevat te droom en.

Over haar liefste.

Dat 't zoö lang — lang nog duren moest — eer ze voorgoed tot elkander kwamen

't Moest wel een verbijsterend geluk zijn, samen te gaan, voor altijd, altijd, al de dagen en nachten, heel den komenden tijd.

Hand in hand, door 't verder leven.

Dat het zoö lang — lang nog wachten zou zijn......

eer. O! Jan.

En als 'n roep, 'n snik, 'n kreunend verlangen, klonk zijn naam — het omzetten in klank — van haar gedachten. „O! Jan."

In 't veilig, warme bezit van zijn liefde, waarin ze zich ruim geborgen voelde voor heel haar verder bestaan, huiverde ze van verrukking, de handen als in gebed.

Ze had zich het liefhebben gedacht, als 'n koesterende troost, voor wat zij als dochter geleden had, maar dat het was zulk eene overweldigende zaligheid, zulk een golf van weelde, dat had ze niet vermoed.

Dit, dit moest wel zijn de diepste genade, die door de Goddelijkheid een menschenhart gegeven werd.

Eerst dan werd ze vrouw dan moèder

Wonderlijk-zacht werden Lize's oogen.

Diep haalde ze adem.

Sluiten