Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

treurige zelfbekentenis, zoó kiesch zweeg ze, en dempte ze haar ademhaling, opdat haór nabijheid deze zwaarmoedige vrouw toch niet hinderen zou.

Nadenkend tuurde ze voor zich uit; — wilde begrijpen.

Daar buiten was absoluut rust.

Daar was niets — dan rust.

De beide vrouwen tuurden op naar den hemel — zwijgend.

Nu de zon gezonken was achter den horizon, gloeide na de lucht, in een vervloeiing van rood, groen en gouden licht.

Maar de eene staarde onbewust naar omhoog; haar gedachten werden te stevig vastgehouden door haar verdriet, om in iets anders belang te stellen. Er was niets anders dan dit vóórhaar. Zelfs, de wondere, wisselende schoonheid der natuur deed haar niets. Alle verzachtende bijomstandigheden waren buitengesloten.

Met den dag groeide haar opstandig verzet; ze was nu zoö ver, dat ze het uur vervloekte, waarin hij haar voor het eerst, zijn vriendelijke opmerkzaamheid geschonken had en daardoor onuitsprekelijke dankbaarheid in haar wekte.

Nü scheen het haar beter, hem — Verschoore — nooit ontmoet te hebben. Ach! Waarom niet gebleven wat ze was: 'n kalme, eenzame vrouw, in 'r sleurig leven; een mensch zonder emoties.

In dit fijn-intiem moment voelde Lies zich gedrongen, haar meest-geheime gedachten onder woorden te brengen; gedachten zoo subtiel, dat het weergeven van zoo iets broos-gedempt, en als fluisterend moest geschieden.

Sluiten