Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „Ik denk mij dat zoo ideaal," fluisterde Lies droomerig.

— „Het moederschap?"

— „Het moederschap."

— „Kind 1" Wéér namen Anne's oogen teeder, 't hoogernstige gelaat van 't meisje op.

— „Als toch alle vrouwen naar het Hoogste streefden in dien tijd," fluisterde Lies.

— „O! Dat doen ze, dat doen ze zeker 1"

— „Iedere vrouw?" Het meisje schudde 'r hoofd, dacht aan haar eigen moeder.

— „Iédere vrouw I Zouden niet schoone gedachten en daden vruchten dragen? Draagt het zaad geen vrucht?"

— „Ja, ja 1" kwam Lies opgewonden, pressend de hand tegen 'r borst, van instemming.

■— „O! Ik zou het alle vrouwen willen toeroepen."

— „Alle vrouwen!"

— „Laat u dan vooral niet meesleepen door uw driften, beheersch u koninklijk: bid, bid eiken avond bij het slapen gaan; bid eiken morgen bij het ontwaken. Laat die tijd eèn gebed zijn, eèn goéde handeling."

„God ja! Goed zijn; trachten te zijn."

— „En liefde — gegrond op hoogachting en sympathie — dat moet de heilige stuwkracht zijn, om tot het moeder-zijn te komen."

En in Anne Verschoore pratte het, terwijl ze haar diepste innerlijk voor dit weekgevoelige schepseltje bloot legde:

„Wat heeft de liefde mij gegeven? Geluk in schijn.

Sluiten