Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En mij?"

De moeder stond op; de oogen strak op 'r kind. <— „Neen moeder!"

— „Je bent een kind; je kent het leven niet; je weet niét ; - je denkt alleen - een heeleboel. En daar stoken ze je op, maken ze je nóg achterdochtiger. Maar zoowaar ~ zoowaar - ik - ik zweer het, er is niets. Hooi je me, niets."

De eed, dien ze indertijd tegenover Verschoore niet had willen afleggen - in zake Nolding - die dróng zich mi uit haar keel; drong zich eruit, om het behoud van haar kind.

Verachtelijk trok Lies de schouders op.

— „Het wordt tijd," merkte ze koeltjes op, op de pendule kijkende. „Ik moet gaan, papa wacht mij."

— „Neen Lies, neen! Eerst moet je zeggen, dat je me gelooft,"

— „Vader wacht."

— „Lies," smeekte de moeder. „Lies. Ach! Wees niet zoo argwanend, zoo hard," en ze tastte naar 'r afhangende hand.

— „Neen moeder. Laat dat!"

— „Het is niét waar; toch niet Lies. Ik zweer het, Geloof me toch! Dat. met Nolding. dót wel - maar dezen meneer niét.

— „Dat jonge mensch komt hier meèr; misschien wel lederen avond," zei 'r dochter met verbluffende overtuiging.

— „Neen! Neen!"

— „Lieg maar nietJ"

Sluiten