Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aarzelend begon ze. „Weet u. zij. ze neemt het

me kwalijk dat ik van haar hou. van üw vrouw."

— „Is dat dan zoo?" vroeg hij ongeloovig.

— „Gelukkig ja," fluisterde Lies zachtkens. „Ik hou. "

— „Maar moest je het dan juist haar, je eigen moeder vertellen?" viel hij haar barsch in de rede.

— „Uit mezelf zou ik dat zeker niet gedaan hebben; moeder wou het weten, dwong om de waarheid."

— „Kon je haar niet sparen?" j— „Neen."

— „Harteloos schepsel."

— „Vader."

■— „Zeker, dat ben je." En Lies driftig.

— „Ik ben niet harteloos —- ik ben niet liefdeloos." Temee — had moeder 'r dat ook al verweten. M'n

God, wouen de menschen dan, dat je altijd hun naar den mond sprak? Moest je dan altijd huichelen?" Somber keek Verschoore voor zich uit.

— „Zoo iets heb ik nog nooit gehoord, een kind, dat 'n andere vrouw bóven de eigen moeder stelt," barstte hij los.

— „Doe ik dat?"

— „Dat doe jij."

— „Ik hoó van 'r vader; ik hou van üw vrouw — als mensch. Wees eerlijk vader; zijn we niet gelukkig samen, u, zij en ik, zoo met z'n drieën. Ik kon niet huichelen tegen moeder. Ik zou tekort doen aan haar, de tweede" — en 't zou zijn 'n knechten, een vernederen van mijzelf — dacht ze erbij.

Sluiten