Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vader was. Ze lachte en zeide: „In naam van den beul! Weet gij die dingen al zoo bij den naam te noemen? 'n Stommerik zul je zeker niet worden, je bent gezegend met hersens ** ge deed heel goed hem den kop in te slaan, want die dingen, al mogen ze waar zijn, moet men niet zeggen." Dit hoorend bleef ik een oogenblik als wezenloos — en het besluit kwam plots in me op om alles wat ik kon mee te nemen en bij de eerste gelegenheid het vaderhjk huis te verlaten. Zóó werkten die laatste woorden op mijn schaamtegevoel. Ik verborg evenwel, wat er in nnj omging. Mijn vader ging naar het huis van den knaap en behandelde hem met goed gevolg en suste de zaak. Ik keerde weer naar school, waar de meester mij erg boos ontving. Toen hij de oorzaak van dén twist vernam en begreep, dat ik gehjk had, bedaarde zijn woede.

Gedurende dezen t^d blééf de zoon van don Alonso de Zuftiga, die don Diego heéttê, nuj bezoeken, omdat hij nnj echt mocht Inden — ik ruilde mijn tollen met die van hem, als de mijne beter waren — ik gaf hem van mijn ontbijt en vroeg hem nooit van zijn eten; ik kocht prenten voor hem, leerde hem worstelen, was de stier als we stierengevecht speelden, en was hem altijd van dienst. De ouders Van den jonker die zagen hoé bln bij was mij als kameraad te hebben, vroegen bnna dagelijks aan de nujne, of zij het goedvonden dat ik met hem at, 's middags en 's avonds en of ik dan mocht blijven slapen.

Eens gebeurde het — het was een van de eerste dagen na Kerstmis, toen de school weer begonnen was — dat er door de straat een man liep, die Poncio de Aguirre heette en bekend stond als een listige schurk (8). De jonge don Diego zeide

Sluiten