Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ergste hei moge branden, waar hij zich ook mogé bevinden! De student keek naar den gierigen koopman die sliep en zeide: „Wilt gijheden lachen? Laten wij een grap uithalen met dezen ouden kerel die op de geheele reis uit zuinigheid slechts een peer heeft gegeten, en schatrijk is." De schavuiten zeiden: „Ga uw gang, heer candidaat, doe wat recht is." Daarop naar den slapende gaande trok hij van onder zijn voeten een knapzak, maakte dien open en haalde er een doos uit, terwijl allen er om heen stonden, alsof het een in den oorlog gemaakten buit gold. Hij opende deze en zag dat ze met suikertabletten gevuld was; hij nam er die allen uit en deed daarvoor in de plaats: steentjes, stokjes en al wat hij maar in de buurt zag, daarna deed hij zijn behoefte in de doos, en legde daarop een dozijn' stukjes gips of krijt, die daar lagen. Hij deed de doos dicht en zei: „Ik ben nog niet klaar, want hij heeft nog een lederen flesch met wijn." Na deze te hebben genomen, het hij er wat wijn uitloopen en vulde haar met werk van hennep en wol, die hij haalde uit een hoofdkussen, dat in onze koets lag, en maakte de flesch weer dicht. Hij legde alles weer in den knapzak en plaatste een groóten steen in de kap van den reismantel, waarin de man was gewikkeld. Daarna ging hij met de anderen een uur of zoo slapen.

Toen het tijd was om op te staan, werden allen wakker, behalve de oude man, die nog sliep. Men wekte hem, doch hij kon niet opstaan wegens de zwaarte van den steen die in zijn kap lag. Hij keek wat het was, en de waard — mede in het komplot — deed, alsof hij twist met hem zocht, en zei: „Hemel beware me, hebt gij, vader, niets anders kunnen meenemen dan dien steen? Wat denkt u

Sluiten