Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK V

VAN ONZE AANKOMST TE ALCALA, DE SCHATTING DIE ONS WERD OPGELEGD, EN DE STREKEN DIE MEN OPNIEUW JEGENS MIJ UITHAALDE

Vóór het donker begon te worden, verheten wij de herberg en gingen naar de woning, die men voor ons had gehuurd, en gelegen was buiten de poort van Santiago aan een plein, waar veel studenten huisden, ofschoon in onze woning niet meer dan drie verschillende gezinnen waren. De eigenaar, tevens medebewoner, behoorde tot hen die in God gelooven uit courtoisie, of dat geloof maar voorwenden ; het volk noemt ze mor 'ucoé (34) en er zijn velen onder hen die bovenmatige neuzen hebben en den reuk van spek niet kunnen verdragen, Ik zeg dit, hoewel ik de voortreffelijkheid van de besten onder hen erken. Hij ontving mij zóó nijdig, alsof ik de personificatie van het hoogheilige sacrament was, zoo mogelijk nog nijdiger. Ik weet niet, of hij dat deed om ons reeds van den aanvang af meer eerbied in te boezemen, of omdat hij van nature zoo was, want het is niet te verwonderen dat hij die geen goed levensbeginsel er op nahoudt, een slecht karakter heeft. Wij brachten er onzen boedel, plaatsten er de bedden en de overige dingen, en shepen daar dien nacht.

Toen het dag werd, kwamen in onze slaapkamer al de studenten van de buurt in hun hemd de patente (35) vragen aan mijn meester. Deze, niet wetend wat dat was, vroeg mij wat ze wenschten. Ik was intusschen uit voorzorg voor hetgeen gebeuren kon, tusschen twee matrassen gaan hggen, alléén mijn hoofd er buiten stekend, zoodat ik ge-

Sluiten