Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bleek, opende het vuur met een vreeselijk projectiel, zeggend: „Dat deed ik". Ik, die mij verloren achtte, zei: „Ik bezweer u, dat gij het..." Ik bleef in mijn woorden steken wegens het snelvuur en den regen van werptuigen die op mij vielen. Ik had mijn gelaat met den mantel bedekt, maar overigens was ik vuil-wit geworden; men kon duidelijk zien hoe nauwkeurig ze mikten. Ik was als besmeurd van het hoofd tot de voeten, maar een dier schelmen, ziende dat ik mijn hoofd bedekt hield, zoodat het schotvrij was, kwam op een vaart naar mij toe, schreeuwend in groote woede tot de anderen: „Scheidt er mee uit, vermoordt hem niet. Ik, die geloofde dat ze er mee ophielden, deed den mantel af om te zien, wat het was en terzelfder tijd shngerde degene, die zooeven dat geschreeuwd had, mij er een tusschen de oogen. Men kan zich mijn wanhoop voorstellen. De helsche bende begon toen zóó geweldig te gillen dat ik er verbijsterd van werd. Uit de stelselmatige wijze waarop de inhoud van keel en luchtpijp als een fontein op mij neerdaalde, maakte ik de gevolgtrekking dat ze om de dokters- en apothekerskosten te besparen, wachtten op de groenen om zich van dat speeksel te ontlasten. Daarna wilden ze mij slaan in den nek, maar er was daar geen gelegenheid voor zonder zich de handen te bemorsen aan het smeersel op mijn zwarten mantel, die nu blank was geworden door mijne zonden. Toen heten ze mij aan mijn lot over en ik zag er uit als 'n kwispedoor uit een oudemannenhuis.

Ik ging huiswaarts zonder goed den weg te kennen. Gelukkig was het nog vroeg; ik ontmoette slechts twee of drie jongens, die mij goedaardig toeschenen, omdat ze mij niet meer dan een keer

Sluiten