Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veinsdheid vragen, hoe ik het maakte; ik zei: „erg slecht", omdat men mij vele zweepslagen had gegeven. Ik vroeg ze, wat het wel had kunnen zijn, en zij antwoordden: „Waarachtig hij zal ons niet ontsnappen, al moesten we er een wiskunstenaar bijhalen, we zullen het te weten komen. Maar dat daargelaten, laten wij eens zien, of gij gewond zijt, omdat ge zoo kreunt en klaagt," en dit zeggend begonnen ze de lakens weg te trekken om mijn schande aan het licht te brengen. Toen kwam mijn meester binnen zeggend: „Is het mogelijk Pablo, dat ik niets meer over je te zeggen heb? Het is acht uur en ligt gij nog in bed ? Sta op in naam van den beul." De anderen om mij er uit te redden vertelden aan don Diego het geheele geval en vroegen hem mij te laten slapen. Een zeide: „Als u het niet gelooft, dan zal ik u overtuigen — sta op, makker", en tevens greep hij de deken. Ik hield die met de tanden vast, opdat men de viezigheid niet zou zien. Toen ze begrepen dat het op die wijze niet ging, riep er een: „Hemel! wat stinkt, het!" Don Diego zei hetzelfde, omdat het waar was; daarna begonnen allen te onderzoeken, of er in de kamer een stilletje was; zij zeiden dat het hier niet was uit te houden en een schertste: „^Wel dat is zeer goed voor iemand die moet studeeren." Ze keken in de bedden en lichtten ze op om er onder te kunnen zien, zeggend: „Ongetwijfeld moet er iets zijn onder dat van Pablo, laten wij hem overbrengen in een van onze bedden en onder het zijne zoeken." Ik die in deze zaak geen uitkomst zag en begreep dat ze me wilden aanvatten, deed alsof ik misselijk was geworden; ik klemde mij vast aan de bedstijlen en maakte grimassen om te braken. Zij die het geheim kenden,

Sluiten