Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dier dat los liep en een man er bij staan die in een boek kijkend eenige Hjnen trok, welke hij met een passer afmat. Huppelend sprong hij heen en weer, en nu en dan een vinger op den ander leggend stelde hij zich in tallooze wonderlijke houdingen. Ik nam hem op een flinken afstand aandachtig waar en erken dat ik geruimen tijd in de meening verkeerde dat hij een toovenaar was, zoodat ik bijna niet dorst hem voorbij te gaan. Eindelijk besloot ik het te wagen en dichter bij gekomen merkte hij mij op; hij deed het boek dicht en den voet in den stijgbeugel willende plaatsen, gleed die uit, zoodat hij viel. Ik hielp hem bij het opstaan en hij zei tot nuj: „Ik nam niet de juiste helft van de verhouding om de cirkellijn bij het opstijgen te doen."

Ik begreep er niets van en merkte terstond wel wat hij was, want excentrieker zot is er nooit uit eene vrouw geboren. Hij vroeg mij, of ik naar Madrid ging in eene rechte lijn, of dat ik den circumflexen weg nam. Ik antwoordde, ofschoon het me niet recht duidelijk was: „den circumflexen." Ook vroeg hij mij wiens degen het was, die aan mijne zijde hing; ik zei dat het mijn rapier was, waarop hij opmerkte: „De beugel van het gevest behoort grooter te zijn om de houwen, die op het centrum er van gericht .zijn, te kunnen opvangen." Hij begon zulk: een wartaal uit te slaan, dat ik mij genoodzaakt voelde hem te vragen in welk vak hij onderricht gaf. Hij zei dat hij meester op den degen was en dat hij zijn man op elk terrein kon staan. Ik kon niet nalaten te lachen en merkte op: „Om de waarheid te zeggen, toen ik u op het veld al die cirkels en kringen zag maken, hield ik u voor een toovenaar." ■—

Sluiten