Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hoe zal het gespeeld kunnen worden," merkte ik op, „als daarin optreden de door u genoemde dieren die toch niet spreken kunnen." — „Ditis juist de moeilijkheid, als die er niet was, zou er dan wel iets verheveners denkbaar zijn? Maar ik heb er aan gedacht de rollen te geven aan papegaaien, merels, eksters, dieren die spreken kunnen, en als kluchtig element tusschen enkele tooneelen laat ik apen spelen." — „Voorzeker, dit zal iets subliems wezen." i— „Maar nog veel heerlijker dingen heb ik gedicht voor de vrouw die ik hef heb, en hier zijn negenhonderd en een sonnetten en twaalf rondeelen (60), — het had er veel van of hij rekende met eacudo'ó en maraeedi'ó (61) — gedicht ter verheerlijking van de beenen van haar, die ik aanbid." Op mijn vraag, of hij die beenen ooit gezien had, verzekerde hij mij op zijn woord van priester, dat zulks niet het geval was, maar dat de voorstelling die hij zich daarvan maakte, als het ware voortsproot uit een profetischen blik. Ik moet de waarheid belijden dat, hoewel het aanhooren van hem mij vermaakte, ik bevreesd was voor zulk een legio van slechte verzen, daarom begon ik het gesprek eene andere wending te geven, zeggend dat ik hazen zag, waarop hij snel inviel: „Dan zal ik maar beginnen met een vers, waarbij ik haar met dat dier vergelijk," en dadelijk ving hij aan dit op te zeggen. Ik, om hem van dat onderwerp af te brengen, zei: „Ziet u wel die ster, die bij dag reeds zichtbaar is?" — „Als ik met dit sonnet klaar ben, zal ik u het dertigste voordragen, waar ik haar eene ster noem; u schijnt den geheelen inhoud van mijn gedicht te kennen." Het ergerde mij zóó, dat men niets kon noemen, zonder hij er iets onzinnigs op gefabriceerd had, dat ik mijn vreugde niet kon

Sluiten