Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werpen, (75) ja., Jura a Dioó!" (73). De hermiet berispte hem, dat hij . zoo vloekte, waarop de soldaat hem antwoordde: „Men kan wel zien dat u geen krijgsman is geweest, daar u mij berispt om het beroep dat ik uitoefen." Zijn voorstelling van het soldaatzijn deed mij hartelijk lachen, en ik begreep dat hij de een of ander schelm was, die, evenals het uitschot van dien stand, van dat mooie beroep alleen de slechte gewoonten aannam. Toen wij aan den bergpas kwamen, begon de hermiet zijn brevier op te zeggen, daarbij zijn rozenkrans aflezend die bestond uit groote houten ballen, zoodat bij iedere Avemaria het klonk als de stoot van de ballen in het argolla spel; de krijgsman maakte vergelijkingen tusschen enkele rotspunten en de bevestigde burchten die hij gezien had, merkte op welke plekken door hare ligging sterk en het meest geschikt waren om stukken geschut te plaatsen. Ik nam beiden op, en was even bevreesd voor den rozenkrans van den hermiet met de geweldige ballen, als voor de leugens van den krijger. „Wat zou het gemaklijk wezen een groot gedeelte van dezen pas met kruit op te blazen," zei de laatste, „en hoe nuttig zou dit voor de reizigers zijn!"

Onder het voeren van deze en andere gesprekken kwamen wij in Cerecedilla. Wij gingen met ons drieën gezamenlijk in een herberg, daar de nacht reeds begon te vallen. Wij bestelden ons avondeten ; het was Vrijdag en onderwijl zei de hermiet: „Laten wij ons met het een of ander den tijd verdrijven, want lediggang is de oorsprong van alle kwaad, laat ons om Avemar'uu spelen," en te zelfder tijd het hij uit zijn mouw een spel kaarten vallen. Ik schoot hierop in den lach vooral

Sluiten