Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maartensdag," (5) hernam de aalmoezenier der zielen. — „Ik kan mij den lof niet onthouden," bracht mijn goede oom in het midden, „dat ik van allen, die den geesel hanteeren, de man bén die degenen, welke zich aan mijne welwillendheid aanbevelen, behandel, naarmate ik hun verphcht ben: die van vandaag gaven mij zestig realen en zij kregen daarvoor dan ook eenige amicale slagen met den enkelen geeselriem." Ik, die zag in welk eervol gezelschap mijn oom zich bevond, beken dat ik rood werd van schaamte, zoodat de met vele houwen geteekende dit opmerkende, zei: „Is deze eerwaarde heer degene, die onlangs pijn had, en wien men een zeker aantal slagen op den rug toediende ?" Ik gaf ten antwoord dat ik niet tot hen behoorde die, evenals zij, pijnen hadden geleden. Hierop stond mijn oom op en zei: „Deze is mijn neef, gepromoveerd in Alcala, een man van aanzien." Men maakte verontschuldigingen en deed nuj vriendschapsbetuigingen. Ik had een hevig verlangen dat de maaltijd afgeloopen zou zijn en ik, na de ontvangst van mijn erfdeel, mijn oom zou kunnen ontvluchten. De tafel werd gedekt en door middel van een aan een touw gebonden hoed werd, evenals gevangenen geschenken krijgen, het eten uit een spijskelder, die achter het huis was, naar boven geheschen in een paar gebroken schotels en in brokken van kruiken en aarden potten; ik behoef u niet te zeggen, hoe ik mij over dat alles ergerde. Zij zetten zich aan tafel, de zielenverzorger aan het hoofdeinde, de overigen naar het toeval wilde. Ik wil niet zeggen wat wij aten, slechts dit, dat al de spijzen dorst verwekten. De mulat slurpte drie pinten pure roode wijn in een wip naar binnen. De zwijnehoeder greep telkens naar de wijnkan die

Sluiten