Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XIII

WAARIN DE HIDALGO ZIJN REIS VERVOLGT, BENEVENS HET DOOR HEM BELOOFDE VERHAAL OMTRENT ZIJN LOTGEVALLEN EN MANIER VAN LEVEN

„Gij dient dan in de eerste plaats te weten dat in de hofstad, in de aanzienlijke kringen, de domsten en de wijsten, de rijksten en de armsten, kortom de uitersten op allerlei gebied gevonden worden — dat men er de oogen toedrukt voor de slechte elementen en de goede niet verlangt te kennen; dat in die kringen een soort heden leeft .— waaronder ook ik behoor — waarvan men de afkomst niet kent, noch iets weet omtrent den staat van hun vermogen en hun vroegere omgeving. Wij duiden elkaar met verschillende namen aan, — sommigen noemen wij: heerebedelaars, anderen: heden die niet voor vol worden gerekend, menschen die geen smaak hebben, ondervoeden en hongerigen. Wij zijn in de eerste plaats gelukzoekers; wij komen er meestal met leege magen afTwant aan het bestaan van tafelschuimer zijn groote moeilijkheden en lasten verbonden. Wij zijn de schrik van alle goede diners, als de motten gevreesd bij de eigenaars van gaarkeukens en spijskelders, en ongewenschte genoodigden van den gastheer; zoo moeten wij vaak van den wind leven en ons voordoen, alsof wij gelukkig en tevreden zijn. Als wij ons met een schamel maal van prei of knoflook moesten behelpen, nemen wij den schijn aan, alsof wij van den smakelijksten kapoen gesmuld hebben. Mocht iemand ons in onze woning een bezoek brengen, steeds zal hij onze vertrekken vinden vol beenderen van schapen

Sluiten