Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I

VAN HETGEEN MIJ WEDERVOER IN MADRID VAN MIJNE AANKOMST ALDAAR AF TOT HET AANBREKEN VAN DEN NACHT

Wij kwamen in Madrid ie tien ure in den morgen en gingen tezamen naar het huis, waar de vrienden van mijn reisgenoot, don Toribio, woonden. Aan het huis gekomen belde hij; een heel oud, armoedig gekleed vrouwtje deed open. Naar de vrienden gevraagd, antwoordde zij, dat ze uit waren gegaan, op goed geluk. Wij bleven tot den middag, tezamen den tijd doorbrengend, hij nuj aansporend om het gemakkelijke leven te leiden, ik naar dat alles luisterende. Om half een kwam er 'n armzalige verschijning in zwart baaien stof, waarvan de naden méér aan den dag kwamen dan het schaamtegevoel bij den drager. Hij en mijn reisgenoot spraken een soort dieventaal, waarvan het resultaat was dat de nieuw aangekomene nuj omhelsde en mij zijne diensten aanbood. Nadat wij een poos hadden gepraat, haalde hij een handschoen voor den dag, waarin zich zestien realen bevonden en een brief, op vertoon waarvan hij dat geld bij elkaar had gekregen, het was namelijk eene vergunning om ten behoeve van eene in berooiden toestand zijnde vrouw geld op te halen. Hij deed het geld uit de handschoen, haalde eene andere uit zijn zak en vouwde ze beiden in elkaar, zooals de geneesheeren gewoon zijn te doen (1). Ik vroeg hem, waarom hij ze niet aandeed, waarop hij antwoordde dat ze beiden van dezelfde hand waren, en dat het maar om den schijn te doen was. Ik had opgemerkt dat hij gedurende zijn bezoek den mantel niet had afgedaan en ik — nog nieuweling in het vak

Sluiten