Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op dit oogenblik kwam er iemand binnen met reislaarzen en in een grijs pak, met een hoed, waarvan de rand aan twee kanten opgenomen was. Nadat de anderen hem van mijne komst in kennis hadden gesteld, sprak hij mij zeer vriendelijk aan, hij deed vervolgens den mantel uit, en nu bleek het I— wie kan zich zoo iets voorstellen ? ■— dat zijn ropilla. van voren uit een grijze stof en van achter uit wit linnen bestond, en de voering vol zweetvlekken was. Ik kon mijn lachen niet weerhouden, waarop hij heel kalm opmerkte: „U zult u later ook wel in het onvermijdelijke moeten leeren schikken en dan zult u niet meer lachen; ik wil wedden dat u niet weet, waarom ik dezen hoed draag met de randen omhoog." Ik gaf als mijne meening te kennen dat het was om er zwierig uit te zien en een beter uitzicht te hebben. „Juist om zulks te verhinderen," zeide hij, „gij moet weten dat er geen lint om mijn hoed is en zóó kan men het niet zien. Hierop haalde hij meer dan twintig brieven en even zoovele realen voor den dag, zeggend, dat hij die niet had kunnen afgeven; elk had het portomerk van een reaal en zij waren allen gehjk. Ik kwam te weten dat hij de handteekening van den een of ander die hem maar in de gedachte kwam, er op stelde en daarbij iets schreef dat hij maar verzon, en zulks aan zeer achtenswaardige personen, wien hij ze in de hierboven beschreven kleeding afgaf, waarna hij het bedrag voor het vervoeren en bezorgen in den zak stak; dat deed hij iedere maand, iets dat nuj verbaasde en mij 'n nieuwen kijk in het leven gaf.

Vervolgens traden er nog twee personen binnen; de een in 'n soort wollen overkleed, dat slechts reikte tot de helft van de wijde pofbroek, met een mantel van dezelfde stof, waarvan de kraag op-

Sluiten