Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wilt volgen, kom dan, zoo niet, laat dan ieder zijn eigen avonturen hebben." — „Vaarwel," zei ik, „mijn behoeften zijn niet zóó gering, dat zij bevrediging vinden in de overblijfselen van het eten van anderen; laat ieder zijn eigen weg gaan." Mijn vriend verwijderde zich met stijve houding en afgemeten stap, nu en dan naar de voeten kijkend. Ik zag hem een stuk of wat broodkruimels uit een doosje halen, dat hij met dat doel altijd bij zich droeg, en zich die in zijn baard en op de kleeren strooien, zoodat het scheen, of hij gegeten had. Ik ging mijn eigen weg, kuchend en de keel schrapend om mijn gevoel van leegte en slapte te verbergen, mijn knevels opstrijkend, mijn borst bol opzettend (15), de mantel over den linkerschouder geslagen, met de vingers spelend met de tien kralen van mijn rozenkrans. Allen die mij zagen, meenden dat ik gegeten had; waren zij van gedachte geweest, dat zekere creaturen zich aan mij te goed deden, zij zouden het niet ver mis gehad hebben.

Ik vervolgde mijn weg, vertrouwend op mijne kronen, die ik had achtergehouden, hoewel mijn geweten mij verweet dat het streed tegen dien regel van onze orde, welke voorschrijft dat het hem, die in de wereld leven moet met leege ingewanden, verboden is op eigen kosten te eten — en toch had ik mijn besluit genomen om die vasten te verbreken. Intusschen was ik gekomen aan den hoek van de San Luisstraat, waar een pasteibakker woonde ; ik zag vóór in den winkel een kostelijke, bruingele pastei prijken, zeker een van acht realen, die pas uit den oven kwam en waarvan de damp en de geur mij in den neus sloegen. Plots bleef ik staan, aan den grond genageld als een jachthond die de lucht

Sluiten