Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegenprestatie, mij opmerkzaam maakte, dat net bovengedeelte van mijn mantel niet goed zat en mij nog twee geneeswijzen mededeelde voor de koude, die ik in de gevangenis had gevat; tot besluit zei hij: „"Werp allen kommer van u af, want met acht realen die gij aan den sleutelbewaarder geeft, zult gij hem zacht stemmen, immers dat volk doet niets uit goedhartigheid, maar alles uit eigenbelang." Ook deze wenk viel bij mij in goede aarde. Eindelijk ging hij heen; ik gaf den cipier eene kroon, hij deed mij de boeien af en gaf mij verlof in zijne woning te komen.

Hij had een walvisch tot vrouw en twee dochters, leelijk als de duivel, daarbij onnoozel en, haar leelijke tronies ten spijt, aan den hchten kant. Tijdens ik bij dit gezin vertoefde, kwam de 'man — zekere Blandones de San Pablo, de vrouw heette dona Ana Moraez — tegen etenstijd thuis, snuivend van woede en onwillig om te eten. De vrouw, een standje vermoedend, kwam bij hem en maakte het hem zoo lastig met de gebruikelijke opdringerigheid dat hij uitviel: „^^at heb je te zeggen tegen de bewering van dien ellendigen dief van een Almendros, den huisbaas, die mij, toen wij twist hadden om de huurpenningen, zei dat jij niet smetteloos waart (48) ?" — „ Hoe weet de fielt dat, heeft hij mij onderzocht?" snauwde zij terug. „Bij mijn grootvader, je bent geen man, daar jij hem niet den baard hebt uitgetrokken. Roep ik zijn bedienden opdat zij nuj zuiveren?" En zich tot nuj wendend: „God beware me, die kerel kan mij niet eene jodin noemen, jood die hij zelf is, want hij is voor de eene helft een schurk, en voor de andere een joodsche vrek. Geloof mij, éehor don Pablo, als ik het hem had hooren zeggen, zou ik hem er aan herinnerd hebben, dat hij op zijn rug het teeken van het St. Andreaskruis

Sluiten