Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft (49)." Daarop antwoordde de cipier op kommervollën toon: — „ Ach, vrouw! ik hield mijn mond, omdat hij zei dat jij twee of drie malen met dat ras vermaagschapt zijt, en hij had het niet over jou al of niet smetteloos zijn, maar wel over je niet-eten van varkensvleesch." — „Heeft hij dan gezegd dat ik eene jodin ben ? En gij zegt dat maar zoo kalm weg? — wat zijn de tijden veranderd! Is dat de eerbied, dien gij hebt voor den goeden naam van doha Ana MorAez, de dochter van Estefania Rubio en Juan de Madrid, dat God en de geheele wereld weten?" „"Wat," zei ik, „de dochter van Juan de Madrid?" „Van Juan de Madrid," antwoordde zij, „die van Aunón. Zoo waar als God leeft, de schavuit die dat zegt is een jood, een schandknaap, een hoorndrager." Mij tot hem wendend zei ik: —■ „Juan de Madrid, mi óenor, die thans in den hemel is, was een volle neef van mijn vader en ik zal het bewijs leveren, wie hij is en vanwaar hij komt, want dat is een zaak die mij persoonlijk aangaat en als ik uit de gevangenis kom, zal ik den schurk zonder ophouden toonen, dat hij hegt; hier in de stad heb ik de door den rechter zelf bekrachtigde brieven van adeldom in guldenletters betreffende onze beide geslachten." Allen waren zeer blijde met hun nieuwe familielid en hoogelijk ingenomen met wat zij hoorden van den stamboom, en het behoeft nauwelijks gezegd dat ik zoo'n ding niet had en niets van hen afwist. De man wenschte telkens omtrent die familiebetrekkingen op de hoogte te worden gesteld, en om maar niet op een leugen te worden bètrapt, hield ik mij alsof de zaak mij ging vervelen, en uitte dan verwenschingen en vloeken. Dan werd er niet meer door hen op aangedrongen en zij zeiden er niet meer over te willen spreken, noch er aan te denken. Zoo nu en dan het

Sluiten