Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij maar komen, onverschillig waarvoor."— „Ikzeg het u uit voorzichtigheid..." zeide Brandalagas. „ Wij behoeven niets meer te weten," antwoordde de heer des huizes. Hierdoor waren zij gerustgesteld en de leugen werd geloofd. Mijn beide makkers kwamen weer bij mij, ik deed een doek op het hoofd, trok een benediktijner monnikspij aan — die bij toeval in mijn bezit was gekomen.— zette een bril op en een baard, die omdat hij zoo kort was, mij niet hinderde. Ik trad zeer deemoedig binnen, ging zitten en begon te spelen. Ik het ze een trek maken, maar later gaf ik, die het spel beter kende, hun zoo'n geduchten krab met de nagels (75) dat ik in den tijd van drie uur meer dan dertien honderd realen had opgestreken. Ik gaf hun wat geld (76) en met den groet: „De Heer zij geprezen", vertrok ik, hen uitdrukkelijk te kennen gevend dat zij er geen aanstoot aan moesten nemen dat zij mij hadden zien spelen, want dat het alleen maar was uit tgdverdrijf, niets anders. De medespelers —• die verloren hadden, alles wat ze bezaten — verwenschten zich naar duizend duivels. "Wij verheten het gezelschap en kwamen te half twee thuis en gingen naar bed na de buit te hebben verdeeld. Dit was mij een weinig tot troost na het dien dag voorgevallene. In den morgen stond ik op met het voornemen om naar een paard te zoeken. Ik kon er geen vinden, dat men wilde verhuren, wel een bewijs dat er velen waren die in mijn geval verkeerden. Te voet te gaan werd niet beschouwd zooals het behoort, vooral destijds. Ik ging naar de San Fehpe kerk, waar ik een bediende van een rechtsgeleerde aantrof, die een paard aan den toom hield en op zijn meester wachtte die

Sluiten