Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moest, bij het verlaten van de kerk mij niet op het paard zou zien. Het noodlot wilde dat, terwijl de knecht mij dat zeide, de advocaat van achteren naderbij was gekomen en zijn knol herkennend, naar den bediende toeliep en dezen, onder het toedienen van eenige vuistslagen, toeschreeuwde dat het een schurkenstreek was om zijn paard aan iemand in gebruik te geven. En, wat het ergste was, zich tot mij wendend zeide hij mij op toornigen toon en met vloeken dat ik moest afstijgen. En dit alles gebeurde in het bijzijn van haar die ik tot mijne vrouw wenschte, en van don Diego. Nooit heeft men iemand zoo vol schaamte gezien, zelfs niet een, die in het openbaar gegeeseld wordt. Ik was in een allertreurigste stemming en er bestond weireden voor, omdattweezulke groote ongelukken mij op zoo'n klein stukje grond waren overkomen. Ten slotte zag ik nuj wel genoopt af te stijgen. De advocaat ging op zijn paard zitten en reed weg. Trachtende een uitvlucht te vinden bleef ik van de straat af met don Diego praten en zei: „Nooit in mijn leven bereed ik zoo'n ellendig dier; mijn roomkleurig paard staat bij de San Fehpe kerk, het is erg hard in den mond zóówel in galop als in draf. Ik vertelde juist aan een paar menschen dat ik hem in vollen ren plotseling kon laten stilstaan, waarop een van hen mij zeide dat er hier een was, waarmede ik het niet kon doen — hij bedoelde het paard van den advocaat. Ik wilde het béproeven en nu kunt u zich niet voorstellen, hoe koppig dat beest is, en dan zoo'n slecht zadel — het is een wonder dat ik er nog levend ben afgekomen." — „Ja, dat moogt u wel zeggen," merkte don Diego op, „en met dat al, hjkt het mij toe, of u wat scheelt aan dat been." — „Ja, ik voel wat," hernam ik, „endaarom wenschik

Sluiten