Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik bij baar in buis was, bad zij mij niet eerder opgezocht, behalve dat zij mij eens opheldering kwam geven, toen het haar ter oore was gekomen dat men mij gezegd had, dat zij aan tooverij deed, dat wil zeggen, dat zij, bij gelegenheid dat men haar in hechtenis bad willen nemen, de straat en het huis zóó in nevel had weten te hullen dat zij onvindbaar Was. Toen kwam zij mij de zaak duidelijk maken en zeide dat die geschiedenis betrekking had op eene naamgenoot van haar, eene andere Guia — en het is niet te verwonderen dat met dergelijke tju 'ias (88) wij allen op den dwaalweg geraken. Om terug te komen op haar laatste bezoek, overeenkomstig haar verlangen rekende ik uit, wat ik haar schuldig was en toen ik bezig was het haar te geven, beschikten èn het noodlot, dat mij nooit vergeet, èn de duivel, die zich steeds mijner herinnert, dat de heden van het gerecht haar wenschten in hechtenis te nemen wegens eene zaak, waarin zij als bijzit van een verdacht persoon betrokken was. Zij kwamen in mijne kamer en, toen zij mij in bed zagen, en haar bij nuj, stormden zij naar mij toe en naar haar, gaven mij een vijftal zeer harde duwen en trokken mij uit het bed. Twee anderen hielden haar vast, haar uitmakend voor koppelaarster en heks. ^Vie zou zich over zoo'n beschuldiging verbazen! Op het rumoer, dat de gerechtsdienaars maakten, en op mijne jammerkreten zette haar vriend — een vruchtenkoopman die in een meer binnenshuis gelegen vertrek vertoefde — het op een loopen. Zij zagen dit en van een ander kamerbewoner gehoord hebbend dat zij zich in mij hadden vergist, Hepen zij dén schelm na, pakten hem en lieten mij met aan flarden gescheurde kleeren en gebeukt door vuistslagen achter. En rhettegen-

Sluiten