Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IX

WAARIN IK BEURTELINGS TOONEELSPELER, DICHTER EN AANBIDDER VAN NONNEN (96) WORD, WELKE ROLLEN OP AANGENAME WIJZE WORDEN BESCHREVEN

In een herberg vond ik een rondtrekkend gezelschap tooneelspelers die naar Toledo gingen; ze reisden in drie overdekte wagens. Het behaagde den Hemel dat er onder de troep een was die met mij in Alcala had gestudeerd, gesjeesd (97), en op de planken was gegaan. Ik vertelde hem mijn voornemen om de hoofdstad te verlaten en naar Toledo te reizen. De man herkende mij nauwelijks door den houw op mijn gelaat; hij kon niet nalaten een kruis te slaan bij het zien van mijn signum crució (98). Om kort te gaan hij deed mij den dienst — maar niets voor niets — bij de anderen gedaan te krijgen dat ik hen kon vergezellen. Wij gingen op weg, een gemengd (99) gezelschap: mannen en vrouwen. De eerste danseres, die ook speelde in de koninginne- en andere voorname rollen, scheen mij een vroolijk dier (100). Ik zat met haar in een wagen en kwam toevallig — zonder het te weten — naast haar man te zitten. Ik sprak dezen aan en verlangend naar liefde en haar algeheel te bezitten (101), zei ik tot hem: „Hoe zou ik het moeten aanleggen om met deze vrouw, die ik mooi vind en die nuj erg bevalt, wat te praten? Ik heb er een twintig kronen voor over." — „Het past mij niet om daarop te antwoorden, noch daarover verder te spreken, want ik ben haar echtgenoot," zei de man, „maar alle hartstocht daargelaten, en daarvan ben ik vrij, voor haar kan men gerust welk

Sluiten