Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

paar keeren op eikaars gezondheid, had gedronken, was er niemand meer die den ander kende. Zij begonnen gesprekken te voeren over den oorlog, en de vloeken en verwenschingen volgden elkandersnel op. Tusschen den eenen heildronk en den volgende stierven er wel 'n twintig tot dertig. Zij veroordeelden den stedelijken rechter (144) tot ontelbare dolksteken. Vervolgens sprak men over Domingo Tiznado en Gayon (145), daarna werd wijn in massa uitgegoten voor de ziels-rust van Escamilla (146). Zij, die in erg sentimenteele stemming begonnen te geraken, beweenden op roerende wijze den al te vroeg weggenomen Alonso Alvarez (147). Mijn makker raakte door een en ander zijn laatste bezinning kwijt en met een ietwat schorre stem zeide hij, een brood met beide handen opnemend en starend in het hcht: „Bij dit brood, dat de gedaante Gods^is, en bij dit Hcht, dat uit den mond des engels komt, stel ik u allen voor om, zoo gij het wilt, den gerechtsdienaar, die den armen Eenoog achtervolgde, zijn verdiende loon te geven/' Zij hieven allen een vreesehjk gehuil aan en de dolken trekkend legden zij den eed af en zeiden, terwijl ze ieder van hen de handen op den rand van de kuip legden en hun monden (148) er boven hielden: „Evenals wij nu van dezen wijn drinken, zullen wij het bloed drinken van iederen aanbrenger." — „Wie is deze Alonso Alvarez, wiens dood zoo betreurd wordt?" vroeg ik. „Een jonge man," zeide een hunner, „een dappere vechter, kundig in het hanteeren van de wapenen, en een, goed makker. Laten wij gaan, want ik voel de duivels in mij opkomen." Daarna verheten wij het huis op jacht naar gerechtsdienaars.

Daar mijn zinnen door den wijn beneveld waren,

Sluiten