Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezield. Ofschoon verschillend in den opzet hebben deze vermetele en ietwat zonderlinge gedichten — allen fonkelend van verbeelding, tintelend van humor en parelend van geest — dit aan elkaar gemeen dat zij de strekking hebben de toenmaals heerschende zotheden en misbruiken in een belachelijk Hcht te stellen.

Met deze gedichten zag Quevedo zich de poorten des roems geopend. Ticknor heeft in zijn „H'utory of Spaniéb literature" in drie deelen, uitgegeven te New-York en te Londen in 1849, enkele brokstukken gegeven uit het eerste van deze serie, geheeten El Sucho de Lu Calaveraé, „de Droom der Schedels" — welk gedicht in 1607, dus op Quevedo's zeven en twintigjarigen leeftijd, werd geschreven.

In hetzelfde jaar zag het hcht het tweede „visioen", geheeten: El Alguacil Alguacilado, „de Dievenvanger Gevangen". Dan volgt: Liu Zaburdaa de Plutón, „de Zwijnstallen van Pluto", hetgeen in April 1608 werd voltooid. In April 1612 verscheen: EL Muhdo por de dentro ~ „de Wereld van binnen", met eene opdracht aan den hertog de Osuna. Quevedo geeft hierin eene teekening van zichzelf, hoe bij in den maalstroom van het leven door de hartstochten en de geneugten der zinnen voortgesleept, dat leven vergooit. Een grijsaard treedt naar hem toe en spreekt hem o. m. aldus aan: „Wijs is alleen degene, die iederen dag zóó leeft, dat hij eiken dag, ieder uur, sterven kan." Het vijfde gedicht heet: Kuila de Loó chUteé, „Bezoek der boerten". Het is geschreven in de jaren 1621 en,1622. Begeleid door den Dood waart de schr. rond in, diens domein. De dooden, meerendeels bekende personen uit de Spaansche geschiedenis en letterkunde, staan

Sluiten