Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en betuigingen van onschuld. Toen men hem vroeg, welke van de vele spotgedichten die in omloop waren, door hem waren geschreven, gaf hij een trotsch, weigerend antwoord. De werkelijke maker van het gedicht werd spoedig ontdekt. Weder wendde Quevedo zich tot den hertog met het dringend verzoek dat hem recht zou worden gedaan. Hij wees op zijne kwalen: zijne slechte oogen — met het linker kon hij niet meer zien—zijne lamme voeten die gekweld werden door rheumatisme, de ontsteking van de luchtpijp, een en ander de gevolgen van den vochtigen, ondergrondschen kerker. Niets mocht baten. De man, die in zijn geschriften op zoo'n scherpe wijze de regeering had aangevallen, moest, hoe ook, onschadelijk worden gemaakt. Zoo bleef hij gedurende bijna vier jaren gevangen. Toen in 1643 de hertog in ongenade viel, brak voor Quevedo de vrijheid aan. Krank van lichaam, maar gelouterd, veredeld van geest, verhet hij de gevangenis. Hij erkende, met deemoedige onderwerping, in het onschuldig ondergane leed de verdiende boete, die de Rechtvaardige hem had opgelegd wegens de schuld van zijn vroeger leven. Hij trachtte zijn ziel op te heffen tot eene hoogere stenuningssfeer en haar te bevrijden van de banden van lagere orde. Kenschetsend voor de gevoelens van Quevedo gedurende zijn gevangenistijd is een brief aan zijn getrouwen vriend, Adam de la Parra, die in den laatsten winter van Quevedo's gevangenschap, wegens zijn standvastige vriendschap jegens dezen eveneens in denkerker te Leon werd opgesloten. In dien brief leest men: „Mijn verborgen zonden, mijn vaak herhaalde hardnekkige beleediging van de Majesteit Gods,hebben mij in dezen toestand gebracht.Hierin ligt de ware oorzaak van de tuchtigingdie mijn deel

Sluiten