Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Swift hebben beweerd dat Quevedo den grooten Ier evenaart in zijn bijtende satire en hem nadert in zijn weinig hoogen dunk van de menschheid. Door velen is hij genoemd de Spaansche Juvenahs, de Spaansche Ovidius, de Spaansche Lucianus; men heeft van hem gezegd dat hij dichtte met den eenvoud, het gemak en de gratie van Horatius. Door zijn illustre tijdgenooten in binnen- en buitenland werd hij hoog gesteld. Cervantes noemt hem in zijn „Viaje delParncuo" („Reis naar den Parnassus"), Apollo's zoon, en zoon van demuzeCalliope; LopezdeVega, die werkelijk niet zoo gemakkelijk in zijn oordeel was, betitelt hem in zijn „Laurel de Apolo" met: „prins van de lyrische dichters". Nu dienen deze loftuitingen wel cumgrano salüt te worden opgevat, maar ook Quevedo's tijdgenoot, de vermaarde Leuvensche hoogleeraar, Justus Lipsius, begroette hem in zijn brieven met: magnum decué Hiópanorum. In den bloeitijd van de Spaansche letteren, waar mannen als Cervantes, Lopez de Vega en Calderon zich onvergankelijken roem verwierven, was er geen met een zoo veelzijdigen, veelomvattenden geest als hij. Met een onvergelijkelijk talent bewoog hij zich op het meest verschillende gebied; hij was dichter, staat- en geschiedkundige, godgeleerde, humorist, schrijver van satiren en pamfletten, van verhandelingen over zedeleer, en van romans. Doorzijn uitgebreide taalkennis was hij goed op de hoogte van de oude klassieke schrijvers, en zijn verdere universeele, encyclopaedische kennis, gepaard met de vaardigheid van zijn pen, zijn vernuft en zijn goede smaak, maakte dat hij die kennis op zeer gelukkige wijze in zijn talrijke geschriften wist te pas te brengen. En toch munten deze uit door oorspronkelijkheid, wat

Don Pablo 18

Sluiten