Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terwerk, uitmuntend door kelderheid en eenvoud.

De tweede schelmenroman van eenige bekendheid is de „Viday hechoj del picaro Guzman de Alfarache" door Mateo Aleman, geboortig van Sevilla, waarvan het eerste deel in 1599 te Madrid verscheen. Dit boek staat niet op de hoogte van het vorige. Het is eenigszins droog en langdradig, en de stijl laat hier en daar te wenschen over. In 1605 verscheen het tweede deel, en in hetzelfde jaar: „Libro de entretenitniento de la picaraJuétina" (letwel eene vrouwelijke schelm) geschreven door een dominikaner monnik, Andrés Perez, die, aangezien hij ook boeken van godsdienstig-stichtelijken inhoud had geschreven, den schuilnaam Francisco Lopez de Ubedahad aangenomen. Dit boek heeftniet veel ethische noch kunstwaarde, én om de heldin die een stuitend mixtum is van valschheid, onnoozelheid en gemaaktheid, én om de sentimenteele zedelessen die aan het einde van ieder hoofdstuk worden uitgekraamd.

Hoog boven de genoemden troont Cervantes, de schrijver van het kleine verhaal „Rinconete y Corta* dillo", dat tot zijn Novelcu ejemplareó behoort, die in 1612 uitgegeven werden, een juweel van het genero picareóco. Hij schreef het ongeveer in 1590 in den tijd dat hij zich met zijn gezin in Sevilla bevond, waar hij, en wel bepaaldelijk in de buitenwijk Triana, destijds en nog heden de verblijfplaats van dat schelmenvolkje, gelegenheid had het te bestudeeren. Of schoon klein — het verhaal bevat slechts een dertigtal pagina's groot octavo — is het vol van waarheid, geest en humor, schitterend van leven. Uit de wijze van behandeling van een onderwerp van zóó realistischen aard, waarbij niet één grove uitdrukking wordt gebruikt, herkent men de mees-

D8h Pablo 19

Sluiten