Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal moeten vragen, of ik hen niet beleedigd heb, al besef ik, dat zij mij zullen vrijspreken.

In mijn ooren hoor ik uw spottenden lach. Ja, ik ben ook bang voor u, de massa in de groote steden. Ge spreekt wellicht van dom bijgeloof, en ge zegt, dat dit werk uit den tijd is. Heksen en reuzen—voorspoken en naspoken— kabouters en zeemeerminnen — duivels en witte wijven — menschen met den helm geboren en weerwolven — al deze in bonte mengeling door elkander — wat raken zij u? Ik vrees hen, die verstandig zijn. O! ik haat hun logica.

Toch zal er weder een tijd komen, dat men de schouders ophaalt over deze dagen van nauwkeurig realisme. Dan zal men verwonderd zijn over al mijn vrees, want in die toekomst zal men niet begrijpen, hoe geloof en angst tezamen kunnen zijn in een menschelijke ziel.

Eigenlijk behoort men te glimlachen over het woord „bijgeloof'. Een mensch, die vreugde of smart of huivering voor verleden of toekomst gevoelt, moet zich zijn sentiment voorstellen, en buiten hem om wordt de gedaante geschapen. Het kan een kabouter zijn, vol list en bedrijvigheid, doch ook de weerwolf met den rammelenden ketting. Het zijn de gevaren van natuur of maatschappij, ook wel het gevaar in zijn eigen gemoed, die den mensch bedreigen. Zóó ontstaat de sage.

Overblijfselen uit den heidenschen tijd?

Woorden zijn dat, die ik niet begrijp.

Wanneer een man een witten nevel zag stijgen, welke hem dreigend nazette tot zijn huis, of de nachtmerrie op een zijner paarden kroop, of hij een kaboutertje zag, dat in zijn schuur werkte of hem plaagde — dacht hij dan zelf aan den heidenschen tijd? Waarom steeds de anatomie van het uiterlijke — waarom nooit 't gevoel voor het innerlijk wezen? Waarom altijd 't ontleedmes en nooit de eerbiedige schroom?

Nergens bestaat er zulk een tegenstelling tusschen den geleerde en den kunstenaar als in ons Holland. Ik zal in

Sluiten