Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De honger liet niet af.

Het was op een avond — en er werd zachtkens aan Marie's deur geklopt.

„Klop... klop... klop..." tot driemalen toe.

„Open niet", fluisterde de man. „Wanneer het boos volk is —"

„Die zóó laat komt", zeide zij met vaste stem, „heeft mij meer noodig dan een ander." En ze opende de deur. Haar zuster stond vóór haar.

„Marie —" kreet ze, „om Gods wil, verhoor mij. In drie dagen heb ik geen brood geproefd — Help mij."

„Hebt ge geen brood meer?" vroeg Marie^ verbaasd.

„Neen, want alles, wat ik had, heb ik aanzie armen gegeven."

„Zoo dit zoo is — zet u aan den disch, en wees een der onzen. Waar voedsel is voor zes, zal er ook voor zeven zijn.''

Ze gaf haar brood en vleesch. Den beker schonk ze vol van wijn.

„Eet en drink en verlaat ons niet meer", zoo zeide zij eenvoudig.

„Ach neen —" riep Anne uit, „ik wil in mijn huis blijven, want wat zou men zeggen, als ik ten uwen koste leefde! Gij hebt de armen gegeven, zoodat iedereen het hoorde. Ik daarentegen heb de ware milddadigheid betracht, en mijn linkerhand wist niet, wat de rechter deed. Geen mensch wist van mijn goede daden, en daarom zal men het in mij misprijzen, zoo ik ten uwen koste leef. Laat mij slechts des avonds in het duister komen. Driemaal zal ik kloppen, opdat gij, mijn zuster, weten kunt: „het is de arme Anne, de hongerige Anne, die buiten staat."

„Zoolang wij te eten hebben — tot de laatste kruimel — zullen we het met u deelen."

Haar woorden waren haar daden.

Des avonds, als zij Anne verwachtte, stond zij aan de deur, teneinde haar de schaamte te besparen, dat ze als

Sluiten