Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Steeds hebt ge de brave gespeeld, en men zeide: „die goede Marie", terwijl men dacht: „die slechte Anne". Daarom was het u te doen, dat ge mij vernederen zoudt. Dat was altijd uw doel, al-lang geleden, toen ge met uw man trouwdet, en mij in de eenzaamheid achterliet, in plaats van voor mij te zorgen en te werken. Nu eindelijk ontvangt ge het loon voor uw hoogmoed."

Marie had haar hoofd gebogen, als ware ze waarlijk schuldig. Met moeite zeide zij ten laatste:

„Gij doet me onrecht,"

„Te veel recht doe ik u nog. Nooit meer zet ik een voet in uw woning. Nu zie ik, wie ge zijt."

Zij verliet 't huis, zonder een groet. Nog even hoorde men haar haastige schreden. Daarna was er slechts de geluidloosheid van den nacht, en voor 't eerst gevoelde men den angst om 't eigen behoud.

Dit nu was de dankbaarheid der menschen, dat men Marie niet achtte, en niemand, zelfs zij, die nog iets te missen hadden, haar hielpen. Zij was armer dan de armsten — immers ze had in dien tijd 't geloof in de menschheid verloren. Ze meende echter, dat ze haar zuster onrecht had gedaan en nog dacht ze dit, nadat de honger zich in haar woning had genesteld en haar gast was geworden. De honger zette zich aan den leegen disch, als de maaltijd moest beginnen. Onbewogen luisterde hij naar 't gekrijt der kinderen, en hij verzadigde zich aan hun smart. Hij drong —t al zwijgende — booze, bittere gedachten in hun ziel. Hij was de overwinnaar der goede stad Leiden.

De nood werd zoo sterk in Marie's woning, dat zij ging bedelen om brood. Zij stond temidden van hen, wien zij vroeger gegeven had.

Een hunner zeide tot haar:

„Gaat naar uw zuster, die heeft nog brood genoeg. Ons wil ze niets schenken, doch u natuurlijk wel."

„Mijn zuster heeft geen brood, want zij heeft alles, gegeven."

Sluiten