Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Willem ontwaakte, richtte zich op, en zag verdwaasd om zich heen.

Liefelijke muziek was er, zoodra zijn gesnurk ophield. Hij, die gewoon was aan het gekijf zijner vrouw, hoorde nu het zachte tokkelen van snarenspel, en een stem, zoo vol en schoon als hij nog nimmer had gehoord, zong — Toen werd het stil.

Willem zag van den een naar den ander, doch allen behielden hun ernstig wezen. Hij lachte. „Ik droom zeker. Ja, ik heb te veel gedronken."

„Heer graaf', sprak de maarschalk van Bourgondië, „dit is het uur, waarop Uwe Hoogheid opstaat."

„Heer graaf— zoo heeft nog niemand tegen een schoenlappergesproken. Diedroommoestmaaraltijd voortduren.''

Hij betastte de zijden gordijnen, die om zijn bed hingen, het rijk geborduurde kamizool, waarmede hij was gekleed, de fijne lakens,» die hem dekten, het vorstelijk hemd. Hij nam de muts en bekeek ze van onder tot boven. Hij rook aan zijn handen, en schudde zijn hoofd.

„Heer graaf? Ik ruik er wel naar."

„De maarschalk van Bourgondië vroeg met ernstigverwijtende stem:

„Herkent gij ons niet? Heeft Uwe Hoogheid soms niet geslapen, dat haar geest beneveld is. Ik ben haar maarschalk van Bourgondië."

Eén voor één gingen ze langs zijn bed, en noemden hunne titels.

„Ik ben Uw zegelbewaarder."

„Ik ben Uw opperschenker."

„Ik Uw broodmeester."

„Ik een hofjonker."

„Ik de bevelhebber Uwer wacht."

„Ik de gouverneur van Uw paleis."

Toen naderde hem de schoone Isabella van Portugal, en liefelijk zeide zij:

„Wij zijn Uw vorstelijke gade."

Sluiten