Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en hij klopte 't bevende paard tegen den hals. „De landlieden zeggen, dat de weerwolf is teruggekeerd."

„Dat is hij ook", lachte zijn vriend. „Ik heb hem al vele malen bemerkt, wanneer ik des avonds over 't land zag."

„Wat zou hij van ons willen?"

„De weerwolf wil niet, hij haalt, wat hem vervallen is.' „Wat zal hij halen?"

„Ga 't hem zelf vragen. Ik kan hierop geen antwoord geven."

Ze reden, zonder nog een woord te zeggen, naar het kasteel. Telkens zag Gerard zijn vriend aan, en het scheen hem, of er een gloed was in zijn oogen, welken hij bij een mensch nog nooit bemerkt had. Nadat zij eindelijk tehuis waren gekomen, en van hun paarden waren afgesprongen, vroeg Gerard:

„Waarom heb je niets tegen me gesproken?"

Het was een stem, die van verre scheen te komen, welke antwoordde:

„Laat mij — ik smeek 't je — op het oogenblik niets zeggen."

Zwijgende liepen zij de gang in, en gingen naar de kamer. Gerard beval zijne dienaren, zich te verwijderen. Hij keek zijn vriend in de oogen, welke hem lichtend geleken als de oogen van den weerwolf.

„Zeg me, wat dit alles te beteekenen heeft?" vroeg hij.

De vriend antwoordde met doffe stem:

„Je hebt mij gekend, zonder mij te kennen. Weet je, wie ik ben?"

„Het leek, toen ik je voor'teerst zag, of ik je al jarenlang had gekend, en of ik al jarenlang met je had gesproken —" ,.Dat had je ook."

„Van mijn jongste dagen, ja — ik zou bijna zeggen, van mijn geboorte." „Ja — ja."

„Zeg me je waarlijken naam."

„O mijn naam! .... Luister naar me, Gerard. Ik ben

Sagen en Legenden van Nederland. 3