Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Waarom heb je mageren Hein niet gezegd, dat je den kleindochter van den boer reeds lang kende? Je wist, wat hij meende, je had de stem van zijn hart gehoord. Gerard! de tijd is rijp."

De heer stond stil en met hem zijn schaduw, Hij ging verder, en weder hoorde hij naast zich den ritselenden tred, die deed denken aan 't glijden van een blad indenherfst.

„Pluk de bloeiende kersen uit den boomgaard, Gerard. Waarom heb je den ouden boer niet gezegd, dat hij op 't land kon blijven, als ... . Jij kunt slecht zijn, want je hebt geld. Niemand durft zich tegen je te verzetten."

Gerard sloeg de handen tegen zijn voorhoofd. Hij klaagde tot zichzelf:

„Is 't zoover met je gekomen? Onthef den armen man van zijn pacht — toen je vader nog leefde, woonde hij al op 'tland. Laat 't volkje naam zegenen, en niet vervloeken."

De gestalte naast hem spotte:

„Probeer je niet te verzetten, want dat lukt je toch niet. Ga nu maar dadelijk naar den ouden boer en zeg hem, dat hij de boerderij in ruil voor zijn kleindochter kan behouden. Dat brave geweten van je is machteloos geworden."

Hier tegenover dreigde de stem, welke hem het goede voorschreef:

„Gerard als er een steen losgaat van den weg, volgen er meer. Je kunt nog terug — ga rustig naar je kasteel, en zoek den slaap des rechtvaardigen. Je weet wel, dat al je tegenwoordige vrienden je kwaad willen, verlaat ze! Het is ook laag, om den ganschen dag in een herberg met een verloopen sujet te kaarten. Eens kom je voor God's richterstoel, om verantwoording over je daden af te leggen. Wat zul je God dan antwoorden?"

Even zweeg de donkere schaduw, die met hem ging. Niet langer dan eenige seconden. Dan vleide ze:

„Wat is braafheid, en wat zul je ermede bereiken? Wees verstandig, Gerard. Men noemt je den schoons ten

Sluiten