Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jongen man uit de streek, en zul je nu je jeugd laten voorbijgaan? Wie weet, wat er na dit leven is — Geloof de andere stem niet, die begrijpt er even weinig van als ik. Ik zeg je, dat je je moest schamen, wanneer je tegenover den mageren Hein komt te zitten, en hem zult zeggen, dat je den boer zonder vergoeding de pacht hebt vrijgescholden. Hij zal je uitlachen, en niet alleen magere Hein, maar ook lange Dries, en gezellige Janus, ze zullen je met zijn drieën uitlachen, omdat je een domme, goede kerel bent. Er is nog nooit een braaf mensch geweest, die 't goed op de wereld heeft gehad."

Nog geruimen tijd duurde deze tweespraak. Ten lange leste stond Gerard voor de deur van den boer, en hij kon de beide stemmen nog volgen.

Hij klopte.

Er kwam geen antwoord, en hij trad binnen.

De boer zat aan de blank-houten tafel, zijn hoofd tusschen beide handen. Hij bewoog zich niet, toen Gerard voor hem stond. Hij bleef voor zich uit-staren, gelijk iemand, die zich iets herinnert, en mijmerend terug-leeft. Zijn oogen waren vergroot, en onwillekeurig hield hij de handen, waarmede hij zijn gelaat ondersteunde, tot vuisten gebald.

Zijn kleindochter spon vlas — het wiel snorde, doch ze zong er geen lied bij. Zij dacht niet aan het verleden, zij dacht aan de toekomst. Wat zou Jan zeggen, als hij hoorde, dat zij de boerderij moesten verlaten? Zij spon het vlas — het wiel snorde, doch ze zong er niet bij.

Ze hoorde de klink van de deur, en hief 't hoofd.

Juist zóó was de vaag-roode tint van het avondlicht over haar bleek gelaat, en in gedempt goud werd haar blonde haar omvat. Terwijl aldus haar gezicht den stillen gloed ontving, vloeide uit haar handen, bij het spinnewiel, 't bloed weg, en wit, slank lagen ze bij het vlas.

Gerard naderde haar, en zag haar aan. Toornig richtte zij zich op.

Sluiten