Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

,,'t Huis hieruit, slechte man", riep ze. „Je vriend is

de weerwolf."

Hij antwoordde haar met een schellen lach:

„Ik kom niet, om met jou te praten, maar met je

grootvader."

„O! slechte man", fluisterde ze, „iedereen weet, dat weerwolf bij je is geweest." „Praatjes."

„Jan heeft 't mij gezegd."

Hij haalde zijn schouders op. Toen sprak ze dreigend:

„Jan is niet bang voor tien weerwolven, en hij zal me helpen. Want 't is uit slechtheid, dat je bij me komt..."

Eerst toen schrikte de boer wakker uit zijn mijmering. Hij verhief zich als een krachtig man en stelde zich tegenover zijn gast.

„Hier ben ik de meester", riep hij, „en hier jaag ik weg."

„Kom vriendje'', zei Gerard luchtig,, ,het was vanmorgen zoo boos niet gemeend. Ik heb ook veel geld verloren, en daarom was ik wat kwaad gemutst. Er is wel nader over te praten, beste man. Je hebt al jaren op de boerderij gewoond, en ik kan het toch niet over mijn hart verkrijgen . . . ."

De oogen van den ouden man waren plots als van een jongeling, die nog alles van het leven mag verwachten. Redding zou er komen, en gespannen wachtte hij op het heil. Zijn kleindochter echter, haar handen vouwend, smeekte hem, den heer niet te gelooven. Had Jan niet zelf gezegd, dat Gerard en weerwolf voor eeuwig een verbond hadden gesloten? Nadat ze dit had verklaard, schrompelde eenige seconden het lichaam van den boer inéén. Hij werd een grijsaard, voor wien de dood licht moest zijn; uit zijn oogen week alle glans, de groeven om zijn mond werden diep, zijn handen begonnen te beven. Het vreeselijk vermoeden begon in hem te leven. Toen tintelden zijn spieren, zijn arm werd recht, en zfjn vinger wees Gerard de deur.

Sluiten